Kringloop van water  I

 

Probeer de zee toch nimmer te begrijpen,
het water stroomt al tijden naar haar t’rug.
De hete zon legt op haar koele rug
zijn warme hand en laat de wolken rijpen.

Je kan niet eeuwig in de wolken blijven;
Het is een droom van louter ijle lucht,
alsof je voor de loop der dingen vlucht;
Je wilt steeds verder van je oorsprong drijven.

Of enkel eenzaam aan de zijlijn kijken,
terwijl je langzaam zo als ijs verhardt
en als een logge, koude klomp verstart.
De zee lijkt veilig, weerloos achter dijken.

Maar ijs en damp zal later water blijken;
Rivieren, regen en een tranendal
dat steeds opnieuw het laagste punt weer zal,
dus het begin, de zee, tot slot bereiken.


 

 

 


Kringloop van water  II

 

De zee is het begin van leven;
Zij is gelijk de moederschoot,
maar zij omvat gelijk de dood;
Hoe lange reis het is gegeven.

Soms lijkt  het of de woeste vloed
haar kind weer snel terug wil halen
en dat het dubbel moet betalen
voor vrijheid en voor overmoed.

Ooit naar de zee zal het weer keren,
als na het onweer regen stort,
het door de stroom gedreven wordt
te reizen in rivier en meren.

 

 

 


Kringloop van water  III

 

Je drinkt een glaasje water,
maar wat eerst water was,
dat wordt dan even later
je tranen, zweet en plas.